Driftbuien, ik vind het een lelijk woord. Al dekt het de lading wel, moet ik toegeven. Elli die zich vorig jaar krijsend op de grond liet vallen omdat ze iets niet mocht. Roepen, schoppen en slaan. Kortsluiting! Gelukkig komt het nog zelden voor, maar bij vermoeidheid of frustratie kan het wel gebeuren. Wist je dat 90% van de peuters tussen 1,5 en 3 jaar gemiddeld één keer per dag een heftige driftbui heeft? Dit staat in het boek “De evolutie van een kind” van Annemie Ploeger (2018). Zij verklaart de ontwikkeling van het kind vanuit een evolutionair perspectief. Erg interessant moet ik zeggen.

De evolutie van een kind

Dat baby’s graag gedragen worden, van borstvoeding houden en het liefst dicht bij de ouders slapen, is dan ook logisch te verklaren vanuit dit perspectief.  Daar heb ik al wel wat over geschreven, hier, hier en hier. Ookal zijn we als mens heel snel geëvolueerd van primaat tot Westers individu, onze hersenen zijn nog niet helemaal mee geëvolueerd. Huilbaby’s zijn dan ook vooral een Westers verschijnsel. Dat wist ik al via dit artikel: “waarom Afrikaanse baby’s niet huilen”. Een tip: sla het op voor later als je nu geen tijd hebt ;-).

Dat ook peutergedrag evolutionair te verklaren is, vind ik een interessante visie. Ik heb me al wat ingelezen over onvoorwaardelijk ouderschap, maar dit biedt bekijkt het ook nog vanuit een ander standpunt. Het maakt het in elk geval wat makkelijker om te begrijpen wat erachter zit. En vooral ook waarom het belangrijk is om er dan sensitief op te reageren.

Het nut van driftbuien bij peuters

Als je in Google ‘driftbui peuter’ ingeeft, vind je letterlijk honderden pagina’s met tips en adviezen om hiermee om te gaan. Reageren, negeren, straffen, benoemen, … noem maar op. De meningen zijn duidelijk verdeeld. Het is ook een lastig iets om te begrijpen. En vanuit evolutionair oogpunt zijn die driftbuien niet echt voordelig zou je denken: zo de aandacht trekken, maakt je een makkelijke prooi. Toch is het een universeel gebeuren, over de hele wereld hebben kinderen tussen 1,5 en 4 jaar driftbuien.

Een baby wordt rond 1,5 jaar stilaan een peuter die zijn eigen ik ontdekt en steeds meer zelf wil doen. Het wordt een autonoom wezen, steeds minder afhankelijk van zijn ouders. Dat wisten we natuurlijk al. Peuters beginnen te spreken, kunnen lopen, en herkennen zich in de spiegel. Dit is een belangrijke mijlpaal. Dat eigen willetje hebben ze nog niet onder controle. Ze willen wel, maar kunnen veel nog niet. En net dat zorgt voor een hoop frustraties.

Hoe komt dat nu?

Ons brein is enorm ontwikkeld in vergelijking met andere dieren. In het boek staat uitgelegd dat de prefrontale cortex verantwoordelijk is voor de sociale en emotionele ontwikkeling, wat ons evolutionair een belangrijk voordeel oplevert. We kunnen als enige diersoort doordachte beslissingen nemen, plannen, prioriteiten stellen, onszelf beheersen, empathisch reageren en ons inleven in de ander. We hebben zelfinzicht en een geweten. Allemaal belangrijke functies die ons maken wie we vandaag zijn als soort: sociaal emotioneel intelligente wezens. Die sociale en emotionele ontwikkeling heeft tijd nodig om te groeien. Bij een peuter is dit nog niet ontwikkeld, legt de auteur uit. Peuters kunnen zich nog niet inleven in de ander. Ze pakken dingen af, slaan, duwen, roepen, enzovoort. Het zijn egocentrische wezentjes.

Opvoedingsstijl speelt een rol

Bij het ene kind zal dit peutergedrag sneller tot uiting komen dan bij het andere kind. Sommige peuters zijn rustiger dan anderen, en hebben minder last van driftbuien. Dit is volgens Annemie Ploeger afhankelijk van de variant op het DRD4 gen. Kinderen met een lang gen hebben meer last van de peuterpuberteit. Maar (!) – en dit is belangrijk! – alléén als het een niet-sensitieve opvoeding krijgt. Dus, met andere woorden, ouders die geen rekening houden met de achterliggende behoeftes van hun kind (roepen, schreeuwen, hardnekkig negeren, …). Ze zijn hier bijzonder gevoelig voor en gaan daardoor net problematisch gedrag vertonen. Als deze kinderen sensitieve ouders hebben, dan komt het probleemgedrag weinig voor. Voor kinderen met een kort gen maakt de opvoedingsstijl niet uit in de uiting van probleemgedrag. Zij vertonen gemiddeld probleemgedrag, ongeacht hoe ze opgevoed worden. Dat maakt niet dat de opvoedingsstijl geen andere implicaties kan hebben, natuurlijk.

Lees ook: Onvoorwaardelijk ouderschap, het logische vervolg

Kinderen zijn na-apers. Ze leren door nabootsing en zijn op dat vlak echte sponzen. Elk woord of gebaar dat we stellen, zien ze. Het is dan ook belangrijk voor de ontwikkeling van de prefrontale cortex dat we ons empathisch, liefdevol, geduldig, tolerant en respectvol opstellen (wat een hoop woorden in één zin). Door sensitief (maar duidelijk) te reageren op ‘vervelend’ gedrag, leert het kind dat hij je kan vertrouwen. De basis voor een veilige gehechtheid, en voor ontwikkeling van een positief zelfbeeld en autonomie.

Een gelukkige peuter!

Volgende keer

Hoe weet je of je kind een korte of lange variant heeft op het gen? Hoe reageer je sensitief op je kind en baken je toch grenzen af? En waarom is dit nu net zo belangrijk? Daar ga ik volgende keer verder op in!

Interessante lectuur

De evolutie van een kind van Annemie Ploeger (2018)

How2talk2kids van Adele Faber & Elaine Mazlish (2007)